We zijn onderweg naar Tulear en passeren net een saffierstadje, Ilakaka of ook wel Arianecity genoemd (dat laatste bedacht door Roelof). De mannen werken in de mijn, soms vinden ze een steen die ze willen houden, ze slikken hem door, maar als de baas het ziet wordt de persoon neergeschoten. Er kan er natuurlijk maar één rijk worden van het zware werk. Aan de straat grote huizen achter ijzeren hekken, de wijk daarachter, een krottenwijk. In de rivier honderden jonge jongens die met een zeef het afvalzand uit de mijn zeven en er de laatste brokjes saffier uitfilteren. Op de weg jonge mannen met een soort pikhouwelen op weg naar de mijn. 20 tot 30 meter diep. Geen luchttoevoer, de enige plek waar zaklampen gebruikt worden door de bevolking omdat kaarsen zuurstof gebruiken. En de rijken werden rijker….
De Bara branden het grasland af in de droge tijd. Met de dauw en als ze geluk hebben een buitje groeit daar jong gras uit, voedsel voor hun zeboes. Helaas ook de oorzaak van verdere ontbossing en verzanden van de grond, klaar voor erosie. En soms loopt het gruwelijk uit de hand, gisteren zagen we een grote brand richting Isalo National Park gaan.
Grappig dit land is voornamelijk christelijk maar de oude gebruiken gaan gewoon door. Voor een huwelijk en een circumcisie slachten ze een lichte zebu die al gekalfd heeft, voor een begrafenis een zwarte zebu, voor de famadihana een witte zebu. De Bara stammen die nog echt nomadisch leven houden overigens alleen de oude Madagaskische traditie in ere. De kinderen hoeden de zeboes en gaan niet naar school.
Dit land ruikt lekker, schoon, kruidig.
Het rare is, wij ook, na een dag zweten ruiken we schoon, best lekker met twee pubermannen.
Het enige wat ik echt vies vind is de geur van de Madagaskische zeep waarmee de handdoeken gewassen worden. Gemaakt van zebuvet en as ruikt het ransig, als oude roomboter brrr.
Het is ook een verbluffend schoon land, geen plastic langs de weg, de regering heeft gratis plastic zakjes verboden. De waterflessen worden hergebruikt voor water, benzine, olie, honing en rum.
We komen nu door rum city, hier wordt de basisrum voor een groot deel van het land gestookt en gedestilleerd uit suikerriet,90 al% alcohol, ethanol. Het is de basis voor de overal te krijgen rum arrangé, sommige hotels hebben tientallen soorten, onze voorkeur: kaneel, sinaasappel, vanille. Lekker rum met een pure smaak zonder toevoeging van suiker.
Wat ons bezighield. Wordt je blind van zelfgestookte alcohol en waarom? Het antwoord. Een slechte stoker gooit de eerste 50 ml van zijn brouwsel niet weg, het bevat methanol dat ontstaat bij een lagere temperatuur en toxisch is voor de oogzenuw. Toch zagen we in dit dorp ook veel doffe, grijze ogen, staar? Geen verklaring.
We rijden nu over de vlakte. Het nomaden dorp van de Bara heeft hutjes van hout,stro en sticky mud, dat laatste leerden ze van de Betslio stam. Het volgende dorp, van de Antandroy, heeft hutten van gras en takken. Thijmen spreekt zijn tevredenheid met zijn kamer thuis uit bij het zien van deze woningen.
Tojo (spreek uit Toezoe), onze driver, laat ons muziek van een maatschappij kritische Malagassische zanger horen. Samoela met zanam-pokonolo en president. Niet dat we het verstaan maar het klinkt lekker.
Vandaag nemen we afscheid van Tojo en morgen vliegen we naar Antananarivo, de dag erna vliegen we door naar Nosy Be.
